Blog

maandag 28 juli 2014

Ook vergunningvrije bouwwerken moeten bij de welstandstoets worden betrokken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwwerk wordt alleen dit aangevraagde bouwwerk beoordeeld. Maar bij de welstandstoets moet ook rekening worden gehouden met de aanwezige bouwwerken, waaronder de vergunningvrije bouwwerken, omdat moet worden beoordeeld hoe het aangevraagde bouwwerk zich verhoudt tot zijn omgeving. Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nogmaals bevestigd.

In dit geval is een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een tuinhuis, het maken van een balkon aan de achtergevel en het veranderen van de voorgevel op het perceel. Nadat de welstandscommissie negatief had geadviseerd is een omgevingsvergunning verleend voor het aangepaste bouwplan, namelijk het veranderen van de voorgevel en het oprichten van een tuinhuis met een oppervlakte van 24 m² dat ten dienste zal staan van de woonfunctie.

Appellante is het hier niet mee eens en voert aan dat het welstandsadvies niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag mocht worden gelegd. In het welstandsadvies is geen rekening gehouden met de corridor, die het tuinhuis verbindt met het woonhuis en met het tuinhuis een ondeelbaar bouwwerk vormt. Volgens appellante is een welstandstoets alleen zinvol als daarbij het gehele bouwwerk wordt betrokken. Zij verwijst hiervoor naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 februari 2012, in zaak nr. 201106532/1/A1.

De Afdeling heeft in de betreffende uitspraak overwogen dat bij de welstandstoets rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van zowel bouwwerken die met bouwvergunning als met blijvend aanwezige bouwwerken die zonder bouwvergunning zijn opgericht, daar deze categorie├źn bouwwerken beide tot de gebouwde omgeving behoren die bij de welstandstoets dient te worden betrokken.

De Afdeling geeft appellante daarom op dit punt gelijk en neemt daarbij in aanmerking dat zowel de feitelijk reeds aanwezige corridor als een deel van het feitelijk al aanwezige tuinhuis, die buiten de aanvraag zijn gelaten ten tijde van het besluit op bezwaar, waren gerealiseerd en dus bij de welstandstoets diende te worden betrokken. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo moet namelijk het tuinhuis niet alleen op zichzelf worden beschouwd, maar moet evenzeer worden beoordeeld hoe het tuinhuis zich verhoudt tot zijn omgeving, aldus de Afdeling.

Uitspraak: ABRvS 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2591

maandag 21 juli 2014

Wob: documenten bedoeld voor intern beraad hoeven niet openbaar gemaakt tenzij ze milieu-informatie bevatten

In juni 2011 heeft Greenpeace aan gedeputeerde staten van de provincie Groningen verzocht om alle documenten die betrekking hebben op de vergunningverlening voor de bouw van energiecentrales van Nuon/Vattenfall en Essent/RWE in de Eemshaven en de aanpassingen op en rond de Eemshaven van haven en vaargeul voor kolenschepen openbaar te maken. Bij besluit van 19 juli hebben GS dit verzoek gedeeltelijk afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 16 juli jl. duidelijkheid gegeven welke documenten wel en niet openbaar hoeven te worden gemaakt.

Intern beraad
Documenten die zijn bedoeld voor intern beraad binnen de overheid hoeven niet openbaar te worden gemaakt. Dit geldt ook voor documenten die van derden afkomstig zijn en zijn bedoeld voor intern beraad. Er is geen sprake van intern beraad als aan de documenten het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend.

In deze zaak ging het concreet om bijlagen bij e-mails van en aan RWE, Nuon, Groningen Seaports en de door hen ingeschakelde adviseurs, en documenten met bijlagen betreffende overleg met de vergunninghouders RWE en Nuon die zijn gedeeld buiten bestuursorganen en de door hen ingeschakelde adviseurs. Het ging vooral om concepten van ingediende processtukken, zoals pleitnota’s en verweerschriften, en om zogenaamde "Vraag & Antwoord" documenten. Volgens de Afdeling vallen deze documenten onder intern beraad, en hoeven deze dus niet openbaar te worden gemaakt, omdat met de betrokken partijen is afgesproken dat de beraadslaging vertrouwelijk zou blijven. Dit geldt volgens de Afdeling ook indien een persoon of instelling een eigen belang behartigt in een beraad.

Milieu-informatie
Ook een memo van een ambtenaar van de provincie Groningen over de effecten van het verhogen van een schoorsteen van Nuon voor de depositie van SO2, NOx en NH3 op natuurterreinen, moet volgens de Afdeling in beginsel worden geacht te zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevat. Het document bevat opvattingen, voorstellen, aanbevelingen of conclusies van een behandelend ambtenaar, waarvan de openbaarmaking mag worden geweigerd omdat ambtenaren de vrijheid dienen te hebben ongehinderd hun bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding of -uitvoering, en daarover te studeren, te brainstormen, anderszins te overleggen, nota's te schrijven, enzovoort. Maar omdat dit document milieu-informatie bevat waaronder informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu ligt dit anders.

Onder milieu-informatie wordt onder meer verstaan: informatie die betrekking heeft op de toestand van elementen van het milieu en informatie over factoren die de elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten. Volgens de Afdeling is hierbij van belang dat daaronder alleen die documenten moeten worden verstaan die daadwerkelijk die informatie bevatten. Documenten die aan dergelijke informatie slechts refereren zonder dat ze zelf die informatie bevatten, vallen daar niet onder.

Ter zitting hebben GS kunnen aantonen dat die milieu-informatie al eerder was bekend gemaakt. GS hoeven daarom van de Afdeling de stukken die hieraan refereren of dezelfde milieu-informatie bevat niet openbaar te maken.

Kortom: alle documenten die alleen bedoeld zijn voor intern beraad, ook met derden en ook als die derden daarbij een eigen belang hebben, hoeven niet openbaar te worden gemaakt. Dit is anders wanneer die documenten milieu-informatie bevatten, tenzij er alleen aan milieu-informatie wordt gerefereerd en tenzij die milieu-informatie al eerder is openbaar gemaakt.
 
Uitspraak: ABRvS 16 juli 2014, 201307984/1/A3

maandag 14 juli 2014

Bezwaarschrift: bewust indienen naar antwoordnummer in plaats van opgegeven postbus leidt tot niet-ontvankelijkheid

De rechtbank Rotterdam maakt korte metten met een eiser die zijn bezwaarschriften regelmatig naar het antwoordnummer van de gemeente verzendt in plaats van de in de rechtsmiddelenclausule opgenomen postbus, ook al belet de Algemene wet bestuursrecht dit niet: zijn beroep is niet-ontvankelijk.

De rechtbank heeft laten meewegen dat de eiser regelmatig Wob-verzoeken indient, dat hij bewust kiest voor het antwoordnummer omdat hij niet alles wil doen wat het bestuursorgaan van hem vraagt. Bovendien heeft de gemeente hem al eerder laten weten bezwaarschriften die naar het antwoordnummer worden verstuurd niet meer in behandeling worden genomen, heeft de gemeente een heldere en betrouwbare procedure ingericht voor het maken van bezwaar en heeft de gemeente een groot belang bij het handhaven van een goed gestroomlijnde (post)procedure en dat eiser een professionele gemachtigde heeft die wordt geacht bekend te zijn met deze procedure en de voorschriften daarvan.

De rechtbank oordeelt daarom dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift buiten behandeling mocht laten, en dat dit een feitelijke handeling is en geen rechtshandeling.  Tegen een feitelijke handeling is geen bezwaar mogelijk en daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Er is al langere tijd een tendens gaande dat de bestuursrechtspraak grenzen stelt aan het te pas en te onpas indienen van Wob-verzoeken, vaak alleen bedoeld om dwangsommen te innen wanneer te laat wordt beslist op dergelijke verzoeken. Inmiddels heeft de minister laten weten dat de dwangsom uit de Wob wordt gehaald. Of hierdoor de te goeder trouwe indieners van Wob-verzoeken zullen worden gedupeerd moet de toekomst uitwijzen.

Uitspraak:  Rechtbank Rotterdam 2 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5265

Vragen over deze uitspraak? Neem vrijblijvend contact met ons op.

maandag 7 juli 2014

Planschade: ook aantasting privacy bij meer dan 30 m afstand

De Raad van State heeft kort geleden geoordeeld dat bij de beoordeling van planschade ook rekening gehouden moet worden met aantasting van de privacy als de geplande bebouwing op een grotere afstand dan 30 meter komt.

De casus: appellant is eigenaar van een woning. Met toepassing van een artikel 19 WRO-vrijstelling (vrijstelling van het bestaande bestemmingsplan op grond van de oude Wet Ruimtelijke Ordening) heeft het gemeentebestuur een bouwvergunning verleend voor de bouw van vier woongebouwen met in totaal 23 woningen op het terrein, dat is gelegen ten (zuid)westen van de woning van appellant. Appellant heeft in zijn verzoek om planschadevergoeding onder meer aangevoerd dat zijn privacy wordt aangetast. Het gemeentebestuur volgt het standpunt van adviesbureau SAOZ, dat aantasting van de privacy slechts mogelijk is indien waarnemer en waargenomene elkaar kunnen herkennen en dat herkenning in de regel niet mogelijk is bij een afstand groter dan 30 m. De Raad van State is het hier niet mee eens:

"Niet valt in te zien dat bij een afstand van meer dan 30 m de privacy niet wordt aangetast. Het college heeft dan ook niet tot de conclusie kunnen komen dat, nu de afstand tussen de woongebouwen 1 en 2 en perceel [locatie] groter is dan 30 m, het zicht vanuit deze gebouwen op dat perceel niet tot een grotere inbreuk op de privacy leidt dan voorheen. De afstand tussen de woongebouwen 1 en 2 tot perceel [locatie] van onderscheidenlijk 45 m en 35 m laat onverlet dat vanuit die 13,5 m hoge gebouwen zicht is op dat perceel. Daarbij is weliswaar van belang dat ingevolge het bestemmingsplan tussen de woongebouwen 1 en 2 en perceel [locatie] nog steeds de bouw van bedrijfsgebouwen mogelijk is, maar het college heeft niet onderkend dat die bedrijfsgebouwen minder hoog mogen worden dan de woongebouwen 1 en 2 en dat die bouwmogelijkheid derhalve niet ertoe leidt dat vanuit die woongebouwen geen extra zicht op het perceel bestaat. Voorts is van belang dat uit de bouwtekeningen kan worden afgeleid dat alle vier woongebouwen ramen hebben die uitzicht geven op de woning en tuin van [appellant] en dat een aantal appartementen een balkon heeft met hetzelfde uitzicht. Anders dan het college ter zitting heeft betoogd, is de op bouwtekeningen weergegeven indeling van de woningen niet maatgevend voor de beoordeling van het zicht op de tuin en de woning van [appellant]. Uit de tekeningen kan worden afgeleid dat de woningen op verschillende wijzen kunnen worden ingedeeld, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Gelet op het voorgaande heeft het college de gevolgen van de planologische wijziging voor de privacy van [appellant] onjuist beoordeeld en kan het college niet worden gevolgd in zijn conclusie dat de inbreuk op de privacy niet groter is dan voorheen."

Wanneer het gemeentebestuur in afwijking van het bestaande bestemmingsplan toestemming geeft voor de bouw van een gebouw dat uitzicht zal geven op het bestaande perceel, ook na eventueel toekomstige extra bebouwing, of dat uitzicht nu via ramen of balkons is, dan kan het gemeentebestuur niet concluderen dat de inbreuk op de privacy niet groter is dan voorheen. In dit geval moest het gemeentebestuur daarom zijn beslissing op het planschadeverzoek aanpassen met inachtneming van deze tussenuitspraak van de Raad van State.

Bron: ABRvS 16 april 2014 ECLI:NL:RVS:2014:1286